Toekomstagenda voor de arbeidsmarkt: tien ideeën

AWVN-jaarcongres 2018

Een toekomstagenda voor de wereld van werk opstellen. Het moeizame debat erover naar een hoger plan tillen. Nieuwe, eenvoudige spelregels ontwikkelen die beter aansluiten op de veranderingen om ons heen. Over deze kwesties heeft een breed samengestelde denktank, onder voorzitterschap van Alexander Rinnooy Kan, zich op initiatief van AWVN gebogen in de aanloop naar het jaarcongres 2018. Dat heeft bij AWVN geleid tot tien concrete ideeën voor vernieuwing, verdeeld over drie thema’s: meedoen, presteren en organiseren.

Tekst
Hendrik Noten
Anne Wouters
Fotografie
Liesbeth Dingemans
Illustratie
Studio Lakmoes

Dit is een samenvatting van de tien ideeën voor de wereld van werk die AWVN op het jaarcongres 2018 presenteerde. De volledige versie van de voorstellen en de uitgangspunten en analyses die daaraan ten grondslag liggen, zijn te vinden in de jaarcongresbundel Tien ideeën voor de wereld van werk.  Al staat de richting wat AWVN betreft buiten kijf, van een vastgelegde route is nog geen sprake. Vandaar ook de ondertitel – Wegwerkzaamheden.
Congresgangers hebben een gedrukt exemplaar van de bundel ontvangen. Wilt u ook een papieren versie? Zolang de voorraad strekt, kunt u deze aanvragen bij de AWVN-werkgeverslijn, 070 850 86 05, werkgeverslijn@awvn.nl. Daaraan zijn geen kosten verbonden.
Of download op de AWVN-site de bundel als pdf.

Eén basis voor de basis

In de toekomst hebben we alle mensen nodig, maar de regelingen aan de basis van de arbeidsmarkt nodigen daar niet toe uit. Vier vereenvoudigingen moeten daarin verandering brengen.

  • Eén uniform regime om mensen met een uitkering naar werk te begeleiden: de verzekeringen en voorzieningen aan de basis van de arbeidsmarkt bestaan uit een uitkeringsdeel en een re-integratiedeel. Ons staat voor ogen om beide delen los te knippen: uitkeren vergt immers andere expertise dan re-integreren. Het re-integratiedeel willen we vervolgens sterk vereenvoudigen door de regimes voor de verschillende regelingen aan de basis van de arbeidsmarkt gelijk te trekken. Niet langer bepaalt de uitkering het soort ondersteuning, maar de daadwerkelijke afstand tot werk.
  • Eén platform voor alle werkzoekenden en werkgevers: als werktitel geven we dit platform de naam Jobshop, een one-stop-shop. De Jobshop is de plek voor álle werkzoekenden, ongeacht de vraag of iemand een uitkering heeft en zo ja, welke. Het platform is digitaal bereikbaar en wordt aangevuld met één-op-één-dienstverlening vanuit regionale vestigingen, zodat ook minder digivaardige mensen verzekerd zijn van goede dienstverlening. Voor werkgevers geldt: de Jobshop is er voor alle werkgevers die een kandidaat voor een vacature zoeken; het doet er niet toe naar welke doelgroep zij op zoek zijn. Voor werkgevers die regionaal opereren zijn er regionale vestigingen, voor landelijk opererende werkgevers is er één landelijke vestiging.
  • Eén systeem waarin werkzoekenden geregistreerd staan: dit systeem is toegankelijk voor alle partijen die kunnen bijdragen aan de re-integratie, waaronder de genoemde Jobshops, gemeenten en uitzendbureaus. Het systeem bevat niet alleen informatie over opleidingen en werkervaring om matches te maken, maar ook over competenties van de werkzoekenden (zie idee 3).
  • Eén uniforme regeling om tot het minimumloon te komen: als blijkt dat werkzoekenden niet volledig in staat zijn om zelfstandig het minimumloon te verdienen, dan is er één instrument om te zorgen dat zij toch minimaal het minimum verdienen zodra ze aan het werk gaan. De uitkering vult het loon ten minste aan tot het minimumniveau. Tegelijkertijd geldt dat werken altijd moet lonen. Wie meer werkt, moet ook méér worden beloond.
Andere vormen van meedoe

Werken is weliswaar het uiteindelijke doel van re-integratie, maar we moeten andere vormen van meedoen meer waarderen. Wie (tijdelijk) écht niet aan het werk kan, mag daarom ook vrijwilligerswerk of mantelzorg verrichten of een stage of opleiding volgen. Ook willen we de markt voor persoonlijke dienstverlening stimuleren, zodat daar werk ontstaat voor mensen die nu aan de zijlijn staan.
Voor wie werk structureel onbereikbaar is of voor wie werken zonder begeleiding tijdelijk irreëel is, stellen we voor een beschutte voorziening terug te halen. Die is dan alleen toegankelijk voor deze doelgroep en niet voor andere moeilijk bemiddelbare groepen.

Pensioenopbouw moet makkelijker en vanzelfsprekender worden voor álle werkenden

Competentiepaspoort

De arbeidsmarkt vraagt voortdurend om andere competenties. Onze manier van matchen tussen mens en werk moet daarin beter meebewegen. Dat kan door middel van een competentiepaspoort, dat alle kennis, kunde én ervaring van werkzoekenden zichtbaar maakt. Het is een online tool voor elke Nederlander waarin competenties en talenten worden bijgehouden vanaf het afronden van de lagere school. Het gaat om competenties in de brede zin van het woord: van de kennis en kunde die je hebt opgedaan op school en in je werk, tot bijvoorbeeld in mantelzorg en vrijwilligers- en verenigingswerk.
Deze competenties komen in het paspoort na te zijn bevestigd (endorsed) door leidinggevenden, collega’s en/of docenten. Net als bij online platformen als Trip-advisor of LinkedIn werkt het systeem zo dat hoe meer mensen competenties onderschrijven, hoe betrouwbaarder en meer valide de waardering is.

Gelijke leerkansen

Iedere Nederlander krijgt dezelfde leerkansen via vouchers, in te wisselen voor opleidingen, leerwerktrajecten en andere ontwikkelingsvormen, via het te ontwikkelen platform www.jouwkansen.nl. Dat biedt een heldere digitale omgeving, waarop een overzicht van álle mogelijkheden te vinden is voor het gebruik van de vouchers. Het gaat daarbij niet alleen om opleidingen, maar ook om detacheringsmogelijkheden, beschikbare leerwerktrajecten en andere vormen van ontwikkeling. Van de toegekende leerkansen wordt een deel automatisch gebruikt om vervolgonderwijs te volgen, waarbij universitaire studenten een groter deel zullen ‘opmaken’ dan mbo-studenten. Schattingen op basis van de begroting van het ministerie van OCW tonen aan dat dit verschil kan oplopen van 10.000 tot 35.000 euro. Mbo-studenten hebben na het behalen van het diploma dan ook meer vouchers over; een wo-opleiding is nu eenmaal een grotere investering dan een mbo-opleiding. Zo’n vouchersysteem maakt het mogelijk om de keuze te stimuleren voor opleidingen voor kansrijke beroepen, bijvoorbeeld door ‘voucherkosten’ voor bepaalde programma’s (tijdelijk) te verlagen.

Doorstartbaan

Dit is een nieuw soort tijdelijke functie met een duidelijke leercomponent, gericht op het doorstromen naar een andere functie op de arbeidsmarkt. Te denken valt aan een verdeling van 4/5de werk en 1/5de gericht op ontwikkeling, gedurende een periode van bijvoorbeeld drie jaar. In die periode leiden we mensen op voor een ander vak of stimuleren we ze om andere competenties te ontwikkelen. Daarna hebben de deelnemers perspectief op nieuw werk, onder andere dankzij intersectorale of regionale afspraken hierover. Andere varianten zijn natuurlijk ook denkbaar.

De ondernemersovereenkomst voor zelfstandigen is een contract dat gelijkwaardig is aan de arbeidsovereenkomst

‘New deal’ voor menselijk kapitaal

Nederland moet het vooral hebben van menselijk kapitaal, terwijl ons belastingstelsel vooral de opbouw van fysiek kapitaal stimuleert. Het is tijd voor een nieuwe balans en sterkere prikkels om te investeren in de opbouw van menselijk kapitaal. Op het gebied van scholing is er sprake van een klassiek collectief actieprobleem: het is alleen zinvol als iedereen tegelijk meedoet. Baten van investeringen slaan niet alleen neer bij de investeerder, maar ook bij anderen. Juist daarom moet het belastingstelsel meer fiscale voordelen bieden aan werkgevers die investeren in scholing en ontwikkeling van mensen. Op die manier zijn we in staat de kwaliteit van de Nederlandse beroepsbevolking over de hele linie te vergroten.

WerknaarwerkWet

Voorkomen is beter dan genezen. Dat is het motto van dit nieuwe onderdeel van de Werkloosheidswet. De WerknaarwerkWet regelt – zonder te tornen aan hoogte, duur of opbouw van de WW – dat WW-middelen bij een (dreigende) recessie of ingrijpende sectortransformatie eerder kunnen worden ingezet. Het is dus de bedoeling om een gedeelte ervan ‘naar voren te halen’. Het wordt dan bijvoorbeeld mogelijk om doorstartbanen of andere effectieve mobiliteitstrajecten te financieren die een duidelijk perspectief geven op werk, zodat mensen überhaupt niet werkloos raken. Ook re-integratiedienstverlening die via de eerder genoemde Jobshops tot stand komt, kan deels vanuit deze wet worden geregeld. Dit zou bijvoorbeeld mogelijk zijn bij een (dreigende) recessie of bij een grote transformatie van een sector door bijvoorbeeld digitalisering.

Grens tussen werknemers en zelfstandigen

We bewegen weg van het huidige, onwerkbare afbakeningscriterium tussen werknemers en zelfstandigen, door voor zelfstandigen een contract te introduceren dat gelijkwaardig is aan de arbeidsovereenkomst: de ondernemersovereenkomst. Daarin staat basisinformatie over de opdracht die de zelfstandige voor de opdrachtgever uitvoert. Ook geven beide partijen in de overeenkomst aan bewust voor het opdrachtnemer- en opdrachtgeverschap te kiezen en daarmee afstand te doen van arbeidsrechtelijke verplichtingen die horen bij het werkgever- en werknemerschap. Werkenden die werken tegen te lage tarieven (bijvoorbeeld 125 procent van het minimumloon), worden hiervan uitgesloten. Dit minimaliseert het risico op schijnzelfstandigheid.

Nieuw huis van zekerheid

De werkelijkheid van de arbeidsmarkt vraagt om een hervorming van de huidige sociale zekerheid. Het fundament van het nieuwe huis van zekerheid wordt gevormd door een aantal zekerheden voor álle werkenden.
Allereerst pleiten we voor minimum-tarieven voor alle werkenden. Voor werknemers kennen we al het minimumloon. Voor zelfstandigen moet er eveneens een algemeen tarief komen, dat het mogelijk maakt om een fatsoenlijk inkomen te verdienen, premie te betalen voor een basisarbeidsongeschiktheidsverzekering én om een minimaal deel van het inkomen te sparen voor pensioen.
Een tweede onderdeel van het fundament is een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor alle werkenden. Verschillende vormen zijn hiervoor denkbaar, die verdere uitwerking behoeven. Om te stimuleren dat zelfstandigen zich verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid, valt te denken aan een speciale fiscale aftrekmogelijkheid voor deze extra premiekosten.
Een derde onderdeel is dat pensioenopbouw in de tweede pijler makkelijker en vanzelfsprekender moet worden voor álle werkenden. Over de toekomst van het pensioenstelsel bestaat op dit moment volop discussie. Het is dus lastig te zeggen hoe dit onderdeel van het toekomstige stelsel er precies moet uitzien. Uitgangspunt is wat ons betreft dat het voor werkenden – ongeacht hun positie op de arbeidsmarkt – mogelijk moet zijn om tegen de tijd van het pensioen over voldoende middelen te beschikken om een fatsoenlijke oude dag te hebben, als aanvulling op de AOW. Pensioenfondsen en -regelingen moeten toegankelijker worden voor groepen die nu niet automatisch aangesloten zijn bij een van de pensioenfondsen. Ook voor zelfstandigen die pensioen opbouwen, moet er een geoormerkte fiscale aftrekmogelijkheid zijn. Met de introductie van deze aftrekposten kan de bestaande generieke zelfstandigenaftrek beperkt worden.

Drie impulsen voor collectieve afspraken
  • Sectorcode voor alle werkenden: bovenop de reguliere cao maken we extra collectieve afspraken mogelijk die voor álle werkenden in een sector van belang zijn, bijvoorbeeld over ontwikkeling en veilig werken. Omdat cao-afspraken voor zzp’ers in strijd kunnen zijn met mededingingswetgeving, stellen we voor deze afspraken niet op te nemen in de cao, maar in een aparte sectorcode.
  • Meer regiodeals: om de mobiliteit op de regionale arbeidsmarkt te vergroten, is het wenselijk dat lokale overheden, werkgevers en onderwijsinstellingen meer regiodeals afsluiten. Bijvoorbeeld over een betere in- en doorstroom op regionaal niveau. Werkenden zoeken immers vaker werk in een regio dan in een sector. Andersom werken werkgevers makkelijker samen met bedrijven uit de regio dan met (concurrerende) sectorgenoten. Bovendien spelen onderwijsinstellingen en gemeenten een belangrijke rol in de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.
  • Meer betrokkenheid bij collectieve afspraken: we onderzoeken twee varianten van directere werknemersvertegenwoordiging bij cao-onderhandelingen, om zo de betrokkenheid van werknemers bij collectieve afspraken over arbeidsvoorwaarden te vergroten en het draagvlak ervoor te verbeteren. De eerste variant is dat elke werknemer in een onderneming of sector via voorverkiezingen, voorafgaand aan de arbeidsvoorwaardenonderhandelingen, kan stemmen op de partij waardoor hij of zij vertegenwoordigd wil worden. De tweede variant behelst verbreding van het vakbondslidmaatschap. Het is bijvoorbeeld denkbaar om werknemers bij het ondertekenen van hun arbeidscontract een proeflidmaatschap aan te bieden voor een jaar.

Anne Wouters
is beleidsadviseur bij AWVN
 
 
 
 
Hendrik Noten
is beleidsadviseur bij AWVN

Geplaatst op 3 oktober 2018