Geknecht werkgeverschap

Doordenken met Ronald de Leij

Ronald de Leij is publicist. Hij was in het verleden onder meer directeur van Akzo Nobel Nederland, VNO-NCW en DECP, en strategisch adviseur van AWVN

In 1995 sprak ik met Ger Smit, destijds ceo van Vedior (een uitzendorganisatie die later is opgegaan in Randstad). Hij mopperde over de invloed van de grote multi’s binnen VNO. ‘Per slot van rekening werken er dagelijks meer mensen via mijn organisatie dan bij de grootste multinational!’ Ik vond het een weliswaar incorrecte, maar daarom niet minder begrijpelijke opmerking, gegeven een ‘polder’ waarin vertegenwoordigers van ondernemers steevast werkgeversvertegenwoordigers worden genoemd.

Die benaming doet vermoeden dat wij als samenleving de meeste waarde toekennen aan ‘werkgeven’ als maatschappelijke functie van ondernemen. Bijgevolg zijn de twee andere functies van ondernemen — het voortbrengen van goederen en diensten en het scheppen van de grootst mogelijke toegevoegde waarde als basis en rekenmiddel voor nationale welvaart — in maatschappelijk opzicht secundair. En dat we een onderneming als groot of klein aanmerken enkel op basis van het aantal werknemers en niet op basis van omzet, toegevoegde waarde, winst of hoeveelheid geproduceerde of verplaatste goederen, maakt dat vermoeden alleen maar sterker.
Voor dat primaat is ook alles te zeggen. Een samenleving waarin de productie van goederen en diensten verregaand is gerobotiseerd, is een voorzienbaar menselijk drama. En een samenleving met een hoog nationaal inkomen, maar een dramatisch lage arbeidsinkomensquote is alsnog op weg naar een proletarische revolutie. Een samenleving daarentegen die aan zoveel mogelijk mensen voortdurende gelegenheid tot productieve participatie tegen een redelijke beloning weet te bieden, is een samenleving die haar leden welzijn biedt en onruststokers hun voedingsbodem ontneemt. Bedenk daarbij dat je van meer-verdienenden wel inkomen kunt afnemen om ook niet-verdienenden van inkomen te voorzien, maar dat je de laatsten daarmee geen welzijn verschaft. Het ‘ik denk, dus ik ben’ van René Descartes leent zich in Westerse samenlevingen namelijk veel meer voor de parafrase ‘ik produceer, dus ik ben’ dan voor ‘ik consumeer, dus ik ben’.

Een vrije ondernemer onderneemt niet omwille van het werkgeven

Het maatschappelijk primaat van het werkgeven legt het in de ondernemers-praktijk evenwel af tegen het primaat van de toegevoegde waarde. Een vrije ondernemer onderneemt nu eenmaal niet omwille van het werkgeven, maar omwille van de toegevoegde waarde en kan tot dat doel zelfs besluiten nutteloze, zelfs schadelijke goederen of diensten voort te brengen, zoals tabak en wapentuig. Vanuit het ondernemersperspectief zijn de werkgevers- en de productiefunctie dienstbaar aan de toegevoegde waarde-functie. Met andere woorden: de ‘werkgever’ en de ‘producent’ zijn knechten van de ondernemer — zélfs als die drie functies in één natuurlijke persoon zijn verenigd. Daarbij moet de ondergeschikte werkgever ook nog een heel andere baas dienen: de overheid. Want die spreekt de werkgever maar wat graag aan — als incasseerder van loonbelasting en sociale premies, opleider van werknemers en bewaker van hun gezondheid — en nog liever toe. In ruil daarvoor mogen werkgeversvertegenwoordigers aanschuiven aan de overlegtafel.

Echter, wie eenmaal beseft dat hiermee niet de baas maar de knecht aan tafel zit, wordt er niet meer door verrast dat van menige centrale afspraak of sociaal akkoord weinig terechtkomt en dat heroïsche inspanningen om de bazen tot compliance te bewegen vaak weinig tastbaar en zelden beklijvend resultaat opleveren. Of het nu gaat om het in dienst nemen van arbeidsgehandicapten, diversiteit of een derde jaar WW. En als de bazen eens zelf aan tafel zitten, vraag hun dan voortdurend welke pet ze op hebben: producent, werkgever of ondernemer?

Geplaatst op 21 juni 2017