Een nieuw sociaal contract

Een van de prominentste opiniemakers bepleit een nieuw sociaal contract – nieuwe afspraken tussen burgers, overheid en bedrijfsleven. Directeur Kim Putters van het Sociaal en Cultureel Planbureau sprak op het AWVN-jaarcongres en lichtte op verschillende plaatsen zijn ideeën toe. Welke rol spelen werkgevers eigenlijk in zo’n ‘nieuw sociaal contract’?

Tekst
Jannes van der Velde
Fotografie
Jacqueline de Haas

In de hectiek van de moderne maatschappelijke discussie is de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP, een van de belangrijkste onderzoeks- en adviesinstellingen van de Nederlandse overheid) een baken van rust. Kim Putters heeft zich in de paar jaar dat hij het SCP leidt, ontwikkeld tot een belangrijke opinieleider – iemand naar wie wordt geluisterd. Zijn idee over de huidige sociaaleconomische vraagstukken: Nederland heeft een nieuw ‘sociaal contract’ nodig. Werkgevers en ondernemingen hebben daar baat bij en moeten er een rol in spelen, vindt Putters.

Wat is dat nieuwe sociale contract?

Putters: ‘Eerst het probleem. Overal in het Westen ervaart vooral de hoger opgeleide bovenlaag de voordelen van globalisering en open grenzen, en voelen de middenklasse en lager opgeleiden vaker het verlies van banen en inkomen. Groeiende onzekerheid over de toekomst veroorzaakt onrust en argwaan. Trump, Brexit, het Oekraïnereferendum, argwaan over TTIP. Allemaal uitingen van dezelfde onderstroom.’
‘Een samenleving heeft een sociaal contract nodig. Dat zijn de geschreven en ongeschreven afspraken over de manier waarop de verschillende groepen in een samenleving met elkaar omgaan. Afspraken over collectieve voorzieningen bijvoorbeeld, maar ook over belastingen. Hoe iedereen bijdraagt aan en voordeel heeft van de samenleving. Lange tijd vormden de verzorgingsstaat en de democratische rechtsstaat zo’n sociaal contract. Maar dat contract werkt niet meer.’

Want?

‘Veel oude structuren en zekerheden zijn verdwenen. Familiebanden zijn zwakker, kerkgemeenschappen kleiner en minder sterk, dorpsgemeenschappen minder hecht. Ook bedrijven zijn veranderd. Grote bedrijven waren lang verweven met families en de sociale netwerken van hun werknemers. In de vorige eeuw was het heel gewoon als een werkgever huizen bouwde voor zijn personeel, waarmee zo’n stadsdeel direct als het ware bij zo’n bedrijf hoorde. De koffiejuffrouw is wegbezuinigd, het schoonmaakwerk uitbesteed. Dat leek allemaal lekker goedkoop, maar blijkt ook grote nadelen te hebben. Dergelijke functies zijn vaak heel belangrijk voor de sociale structuur van een organisatie, voor de binding tussen werknemers en de binding met klanten.‘
‘Het privatiseringsbeleid van de overheid de afgelopen twintig jaar heeft ook sterk bijgedragen aan de doorgeschoten individualisering. Burgers zijn klanten gemaakt. Maar klanten gedragen zich anders dan burgers. Klanten eisen datgene waarvoor ze hebben betaald, maar voelen geen plicht tegenover de gemeenschap. Als mensen zich geen mede-eigenaar voelen van de collectieve goederen, van het buurtparkje, van de straat, dan is er geen collectieve norm. Dan vragen ze zich niet af wat hun gedrag voor effect heeft op de gemeenschap.’
‘Het laatste deel van de verklaring is politiek. De politieke verhoudingen worden steeds minder bepaald door grote ideologieën. De links-rechtstegenstelling van vroeger is veel minder relevant geworden. Het gaat in het huidige politieke debat vrijwel uitsluitend over details, de zorgpremie of de aanpak van files. Maar politieke partijen zijn er ook om een breder toekomstperspectief  te schetsen. Wat je ook van Trump vindt, met ‘Make Amerika great again’ raakte hij wel een snaar.’
‘Het beleid in Nederland was de afgelopen decennia dat van verzakelijking. Dat heeft veel welvaart opgeleverd, maar ook vervelende neveneffecten. Als een samenleving minder hecht wordt, liggen maatschappelijke conflicten op de loer, óók in Nederland. Daarom is Nederland dringend toe aan een nieuwe onderlinge afspraak over hoe we willen samenleven.’

Burgers zijn klanten gemaakt. Maar klanten gedragen zich anders dan burgers. Eisen datgene waarvoor ze hebben betaald, maar voelen geen plicht tegenover de gemeenschap

Conflict?

‘In Nederland was altijd veel aandacht voor de verdeling van inkomen via de regelingen van de verzorgingsstaat. Maar er zijn veel meer sociale en culturele scheidslijnen ontstaan. Het sociaal contract in onze samenleving leunt nog op de oude scheidslijnen van arbeid en kapitaal, terwijl culturele identiteit, leeftijd en gezondheid daar doorheen zijn gaan lopen. Dat leidt tot een verhoogd risico op spanningen. Conflict ontstaat als ongelijkheid in een samenleving onrechtvaardig groot wordt en als polarisatie leidt tot verzet.’
‘De sterkste scheidslijn is die van opleidingsniveau en de daaraan verbonden arbeidsmarktposities. Zeg maar: laagopgeleid en werkloos tegenover hoogopgeleid met een goed inkomen. De meest explosieve scheidslijn is echter die rond etniciteit.’
‘De gescheiden werelden werken ook door in de democratische rechtsstaat. Zo’n 30 procent van de Nederlanders heeft te maken met een stapeling van problemen op het gebied van gezondheid, werk, opleiding en veiligheid. Zij verliezen het vertrouwen in politici. Maar in een situatie van onzekerheid moet de democratische rechtstaat mensen juist de zekerheid geven dat ieders belang meeweegt, dat je inspraak hebt, dat je in beroep kunt gaan. Dat de rechtsstaat er niet alleen is voor hoger opgeleiden, maar ook als je laagopgeleid of kwetsbaar bent. Er is te lang gewacht om die wederkerigheid in de verzorgingsstaat terug te brengen.’

Het bedrijfsleven moet verantwoordelijkheid nemen voor de sociale en ecologische gevolgen van economische groei

Dus een nieuw sociaal contract?

‘Ja, en dat bestaat uit drie onderdelen. Om te beginnen moeten we het begrip solidariteit herdefiniëren. Solidariteit staat in het huidige systeem vooral voor inkomensverdeling. De breedste schouders die de zwaarste lasten dragen. Maar het moet ook gaan over participatie, over meedoen in het maatschappelijke systeem. Over baanzekerheid. Mensen die niet kunnen meekomen in de snelheid en complexiteit van de moderne samenleving, mogen niet aan de kant staan. Uitsluiting van maatschappelijke kansen en processen op grond van etnische achtergrond of leeftijd, moeten worden uitgebannen. De participatiesamenleving waarover in politieke kringen wordt gesproken, kan hiervan een uitwerking zijn, maar voorlopig gaat de invulling van die participatiesamenleving niet ver genoeg.’
‘Solidariteit herdefiniëren betekent ook dat we opnieuw moeten bepalen wie er profijt heeft van collectieve voorzieningen. Als zorg en zekerheid alleen nog voor de zwaksten in de samenleving beschikbaar komen, maar degenen die betalen – de middengroep – hebben er geen profijt van, hoe kun je dan van die groep solidariteit verwachten? Waarom zou je nog premie betalen als je er zelf nooit van profiteert? Het systeem moet dus zo worden ingericht dat de premiebetalers, de grote groep werkenden, er uiteindelijk ook op kunnen rekenen.’
‘Het tweede onderdeel van het sociaal contract heeft te maken met zeggenschap en inspraak. Heel lang hebben we in Nederland een systeem gehad waarin burgers via de besturen van stichtingen en verenigingen rechtstreeks inspraak hadden, bijvoorbeeld in onderwijs en zorg. Omdat veel van die structuren zijn verdwenen, onder meer door privatisering, verzelfstandiging, verzakelijking en centralisering, kijkt iedereen naar de politiek. In Nederland is het vertrouwen in de democratie nog steeds groot: 95 procent van de bevolking gelooft erin. Tegelijkertijd daalt het vertrouwen in de politiek en in politici al jaren, terwijl dus diezelfde politiek wel geacht wordt alle problemen op te lossen. Dat is volstrekt onrealistisch. En daarom moeten we maatschappelijke processen zo reorganiseren dat meer problemen op het niveau van de gemeenschap worden opgelost.’
‘Ten slotte is een nieuw sociaal contract in mijn ogen niet alleen een kwestie van de overheid, maar ook van het bedrijfsleven. Van bedrijven mogen we verwachten dat ze écht werk maken van het scheppen van banen voor de onderkant van de arbeidsmarkt – van een inclusieve arbeidsmarkt. Dat sluit sterk aan bij wat ik zei over de participatiesamenleving. Daar zit ook een element van direct eigenbelang in. Het bedrijfsleven wil een open economie en een goed investeringsklimaat. Dat betekent ook een betrouwbaar en stabiel sociaal klimaat. Daarvoor moet het bedrijfsleven de hand reiken aan groepen die nu niet meedelen in de welvaart. Dat betekent een herwaardering van functies – zoals conciërges – die werden wegbezuinigd. Verantwoordelijkheid nemen voor de sociale en ecologische gevolgen van economische groei. De poorten openstellen voor leer-werktrajecten. Open grenzen moeten voor iedereen positieve effecten hebben, niet alleen voor de bovenlaag. Dat is een wezenlijk onderdeel van de nieuwe deal die ik bepleit.’

Nederland, Den Haag, 19 februari 2015 Prof. dr Kim Putters, directeur Sociaal en Cultureel Planbureau

Nederland, Den Haag, 19 februari 2015
Prof. dr Kim Putters, directeur Sociaal en Cultureel Planbureau

Kim Putters
Professor doctor Kim Putters (1973) is sinds juni 2013 directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en bijzonder hoogleraar Beleid en sturing van de zorg in de veranderende verzorgingsstaat bij het instituut Beleid en Management Gezondheidszorg van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Van 2008 tot 2013 was hij hoogleraar Management van zorginstellingen aan hetzelfde instituut. Putters was van 2003 tot 2013 lid van de Eerste Kamer, en van 2002 tot 2012 gemeenteraadslid in Hardinxveld-Giessendam.

Geplaatst op 12 december 2016