Cao-jaar 2016 in retrospectief

• minder expirerende cao’s
• snelle start
• loonstijging 1,5 procent, ondanks richting nul dalende inflatie
• hoogste loonstijging in akkoorden onderwijs en overheid
• looptijden cao’s langer dan normaal
• minder nieuwe afspraken over duurzame inzetbaarheid en flexibiliteit

Tekst
Laurens Harteveld

In 2016 bleek het voor veel cao-onderhandelaars erg moeilijk overeenstemming te vinden over inhoudelijke vernieuwing van de cao. De focus lag (te) vaak op de looptijd en de loonstijging. Net als 2015 zou het zeker weer een lastig seizoen zijn geworden, als de inflatie in de loop van het jaar niet zo spectaculair was gedaald. Hierdoor steeg de koopkrachtraming van 2,4 procent aan het begin van het seizoen tot 3,8 procent aan het einde van het seizoen.

Dit artikel is gebaseerd op de stand van zaken tot 1 december. Eind januari 2017 verschijnt de definitieve evaluatie van het cao-seizoen, waarin ook de akkoorden van december zijn verwerkt.

Figuur 1, Afgesloten akkoorden per maand: 2016-seizoen (rood) ten opzichte van eerdere seizoenen (periode 2007-2015, roze)

Figuur 1,
Afgesloten akkoorden per maand: 2016-seizoen (rood) ten opzichte van eerdere seizoenen (periode 2007-2015, roze)

Voorspoedige start

In december 2015 kwam al een groot aantal 2016-cao’s tot stand: 44. Ook de maand januari verliep nog voorspoedig (zie figuur 1). Maar daarna kwam de klad in de voortgang. Een duidelijke reden is er voor de vergeleken met andere jaren achterblijvende aantallen akkoorden in de latere maanden: in 2016 werden minder akkoorden afgesloten, simpelweg omdat er minder cao’s expireerden. Dit heeft alles te maken met het grote aantal cao’s met een looptijd van ten minste twee jaar dat in 2015 werd afgesloten: 2016 werd als gevolg daarvan ‘overgeslagen’.
Toch eindigt 2016 niet met een achterstand aan de cao-tafel. In totaal was er op 1 december 2016 sprake van 367 nieuwe akkoorden voor 2,67 miljoen werknemers. Het totale aantal lopende cao’s die na 1 december 2016 expireren, staat daarmee op 616. Hieronder vallen 4,44 miljoen werknemers.

Figuur 2, Contractloonstijging op twaalfmaandsbasis per afsluitmaand, afgezet tegen de (geraamde) inflatie in 2016

Figuur 2,
Contractloonstijging op twaalfmaandsbasis per afsluitmaand, afgezet tegen de (geraamde) inflatie in 2016

Lonen stabiel

In de 2016-akkoorden schommelde de gemiddelde contractloonstijging elke maand rond de 1,5 procent; nooit onder de 1,2 procent en nooit boven de 1,7 procent. Dit seizoen kende twee opvallende ontwikkelingen. De eerste ontwikkeling: de voor 2016 geraamde inflatie (cijfers van het Centraal Planbureau, CPB) nam in de loop van 2016 in een hoog tempo af (zie figuur 2). Ging het CPB op Prinsjesdag 2015 voor 2016 nog uit van een inflatie van 1,2 procent, op 7 maart 2016 stelde het CPB dat cijfer bij naar 0,5 procent en op Prinsjesdag 2016 zelfs naar 0,2 procent. Zoals gezegd bleef de contractloonstijging ondanks deze dalende inflatiecijfers in heel 2016 vrij constant.
De tweede ontwikkeling: akkoorden in de overheidssectoren kenden een fors hogere loonstijging dan in de marktsector (zie figuur 3). Dit heeft alles te maken met de implementatie van de contractloonstijging uit het bovensectorale loonakkoord voor de publieke sectoren (5,05 procent) voor 2015 en 2016. Hiermee lopen de contractlonen in de publieke sector weer in de pas met de contractlonen in de marktsector. Net als in 2015 was de sectorale loondifferentiatie in de marktsectoren vrij beperkt en liep uiteen van 1,8 procent in de metaalindustrie tot 1,1 procent in de financiële dienstverlening.

Figuur 3, Contractloonstijging op twaalfmaandsbasis op basis van 2016-akkoorden naar sector

Figuur 3,
Contractloonstijging op twaalfmaandsbasis op basis van 2016-akkoorden naar sector

Koopkrachtstijging van 3,8 procent
Op Prinsjesdag 2015 ging het CPB uit van een koopkrachtstijging van 2,4 procent in 2016, gebaseerd op (onder andere) een verwachte contractloonstijging van 1,4 procent en een inflatie van 1,2 procent. De koopkracht zou met name verbeteren dankzij de lastenverlichting die het kabinet voor werkenden in petto had (het ‘5-miljard-pakket’). Tegen deze achtergrond formuleerde de FNV haar looneis van 3 procent, waaraan zij overigens in elk cao-overleg vasthield. Een jaar later, op Prinsjesdag 2016, raamde het CPB de koopkrachtstijging in 2016 op 3,9 procent, gebaseerd op onder ander een verwachte contractloonstijging van 1,6 procent en een inflatie van slechts 0,2 procent. De koopkracht nam in 2016 vooral toe dankzij de één procentpunt lager uitvallende inflatie.
De verwachting is dat de koopkrachtstijging voor werknemers eind 2016 op gemiddeld 3,8 procent uitkomt.

Langere contracten

Vorig jaar nam de gemiddelde looptijd van de cao’s toe. Opvallend is dat deze trend zich in 2016 heeft doorgezet. De gemiddelde looptijd van de 2016-cao’s was 21 maanden. Het aantal langlopende cao’s – dat wil zeggen: twee jaar of langer – kwam uit op 48 procent (langjarige gemiddelde: 35 procent); het aantal eenjarige cao’s bleef beperkt tot 33 procent (normaal: 46 procent).
Het lijkt soms alsof polderpartners vaker last hebben van onderhandelingsmoeheid en er daarom voor kiezen een langer lopend akkoord af te sluiten – zodat ook de ‘pauze’ tussen de cao-onderhandelingen langer is.

Minder vernieuwing in 2016

Het aantal nieuwe afspraken over meer flexibiliteit bleef in 2016 achter bij het aantal dergelijke afspraken in 2015 (zie figuur 5). Meer werkgeversflexibiliteit kwam voor in één op de vier (26 procent) 2016-akkoorden, terwijl dat in 2015 nog 33 procent was. Hetzelfde patroon zien we op het terrein van duurzame inzetbaarheid. Drie op de vier akkoorden (76 procent) kende een dergelijke afspraak, tegenover 77 procent in 2015.

AWVN is als adviseur betrokken bij de totstandkoming van de helft van de Nederlandse cao’s. Gedurende het jaar houdt AWVN nauwlettend de ontwikkelingen op het gebied van de onderhandelingen bij. Elke twee weken rapporteert AWVN daarvoor in het elektronische periodiek Cao-info. Leden kunnen zich daarop – gratis – abonneren. Daarnaast voorziet AWVN de media elke maand van het laatste cao-nieuws.

Figuur 4, Afgesloten akkoorden per maand naar looptijd 2016, vergeleken met 2015 en de periode 2008-2015

Figuur 4,
Afgesloten akkoorden per maand naar looptijd 2016, vergeleken met 2015 en de periode 2008-2015

Eigen regie

De verantwoordelijkheidsverdeling tussen werkgever en werknemer bij arbeidsvoorwaardelijke afspraken kwam wel beter in balans. In 2016 bevatte één op de drie akkoorden afspraken die de verandering bewerkstelligen dat werknemers meer verantwoordelijkheid en regie over hun eigen loopbaan krijgen en vooral nemen, daarbij gefaciliteerd en gestimuleerd door werkgevers. Meestal ging het om afspraken over persoonlijke keuzebudgetten (13 procent). Cao’s in de financiële dienstverlening vervulden op dit terrein een voortrekkersrol.

Leeftijdsonafhankelijk

In de praktijk is het heel lastig om bestaande cao’s leeftijdsonafhankelijk te maken. Toch kende 14 procent van de nieuwe cao’s in 2016 aanpassingen om arbeidsvoorwaarden meer op basis van inzetbaarheid, productiviteit en ontwikkelpotentieel vorm te geven in plaats van op basis van anciënniteit. Meestal ging het om afspraken over de (gedeeltelijke) ombouw van ontziemaatregelen, inclusief het opschuiven van de intredeleeftijd met de hogere AOW-leeftijd (13 procent). In enkele gevallen ging het om een letterlijke afspraak om de arbeidsvoorwaarden (meer) leeftijdsonafhankelijk – generatieproof – te maken.

 

Arbeidsvoorwaardenoverleg 2017
Jaarlijks presenteren AWVN, VNO-NCW en MKB-Nederland een gezamenlijke arbeidsvoorwaardennota, waarin zij de aandachtspunten voor het arbeidsvoorwaardenoverleg vanuit werkgeversperspectief verwoorden.
De arbeidsvoorwaardennota 2017 is naar verwachting begin januari beschikbaar.

 

Hendrik Noten
Hendrik Noten

werkt voor AWVN als beleidsadviseur, gespecialiseerd in arbeidsvoorwaardeninformatie

Laurens Harteveld
Laurens Harteveld

werkt voor AWVN als beleidsadviseur, gespecialiseerd in arbeidsvoorwaarden­informatie

Geplaatst op 13 december 2016